Professionele bekwaamheid
Volgens het Staatsblad (2017, nr. 148) is het essentieel dat alle bekwaamheden professioneel worden uitgevoerd. Dit betekent dat een leraar zijn onderwijs afstemt op het niveau en de behoeften van zijn leerlingen, dit planmatig uitvoert, evalueert en waar nodig bijstelt. Samen met collega’s werkt hij aan een gezamenlijke onderwijspraktijk, binnen en buiten de school. Hij volgt onderwijskundige ontwikkelingen, denkt kritisch mee over praktijkproblemen en past onderzoekskennis doelgericht toe. Zijn handelen kan hij verantwoorden en hij neemt actief verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele groei.
Bij de Werkplaats Kindergemeenschap is professionele ontwikkeling een continu proces. Medewerkers werken intensief samen in teams, nemen initiatief in schoolontwikkeling en reflecteren regelmatig op hun handelen. Als opleidingsschool stimuleert de Werkplaats coaching, intervisie en kennisdeling. Van professionals wordt verwacht dat zij niet alleen vakbekwaam zijn, maar ook bijdragen aan een gezamenlijk leerklimaat, waarbij hoofd (reflectie), hart (samenwerking) en handen (actief bijdragen aan de praktijk) centraal staan.
Mijn eigen professionele ontwikkeling is nog gaande. Tijdens mijn laatste praktijkbeoordeling kreeg ik het advies om meer van mezelf te laten zien. Wat ik sterk ervaar, is dat ik me prettig voel in de samenwerking met collega’s en graag deel uitmaak van een team. Als professional vind ik het belangrijk om open te staan voor nieuwe ervaringen, zoveel mogelijk mee te krijgen en actief dingen uit te proberen om daarvan te leren.
Beroepsproduct 2
Mijn tweede beroepsproduct heb ik ontwikkeld voor de Werkplaats Kindergemeenschap, waar ik destijds werkte binnen een onderbouwteam voor leerjaren 1 en 2 (zie bewijsmateriaal: "A: Beroepsproduct 2"). Binnen deze leerjaren wordt gebruikgemaakt van zogenoemde WP-uren: uren die de werkers zelf mogen invullen met schoolwerk. Binnen het team signaleerden we dat deze uren regelmatig niet effectief werden benut. Werkers gaven aan dat zij niet goed wisten wat ze moesten doen tijdens de WP-uren, of moeite hadden met het opstarten van hun werk.
Dit leidde ertoe dat werkers hun weektaken vaak lieten opstapelen, wat zorgde voor stress en uiteindelijk tot het niet afronden van huiswerk. Die stress kwam deels voort uit het ontbreken van overzicht en deels uit een gebrek aan duidelijke planning. Wanneer een leerling zelfstandig moet werken, is het essentieel dat hij of zij een helder beeld heeft van de opdracht én het beoogde einddoel. Het zelfstandig leren mag het vak doel niet overschaduwen. Als het leerproces te veel gericht is op ‘zelf doen’ zonder richting, wordt het behalen van de vakinhoudelijke leerdoelen bemoeilijkt (Cöp, 2014). Samen met een collega-stagiair heb ik daarom een handleiding ontwikkeld die werkers stap voor stap ondersteunt in het plannen en uitvoeren van hun taken tijdens het WP-uur.
De handleiding is opgebouwd uit acht hoofdstukken waarin werkers worden begeleid bij het structureren van hun werk. Het boekje begint met een korte inleiding waarin wordt uitgelegd hoe de handleiding gebruikt kan worden. Vervolgens maken werkers een overzicht van de taken die zij nog moeten doen, waarbij zij ook inschatten hoeveel tijd zij verwachten aan elke taak te besteden. Het helpt ook voor de leerling om een tijdsperiode op te schrijven bij een opdracht. Hoelang wil de leerling aan een bepaalde opdracht zitten en hoeveel tijd past er in het schema van de leerling (Stevens, z.d.).
Deze inventarisatie helpt hen om te bepalen welke taken het meest dringend of belangrijk zijn.
Op basis hiervan plannen zij hun WP-uur in. Hierbij maken we onder andere gebruik van de 2-minutenregel (uit de Getting Things Done-theorie van David Allen): taken die in minder dan twee minuten gedaan kunnen worden, worden direct uitgevoerd. Het structureren van taken in actiegerichte lijsten vermindert stress en verhoogt productiviteit (Allen, 2001).
Daarna worden de overige taken geprioriteerd volgens het Eisenhower-model (Covey, 1989):
-
Dringend en belangrijk,
-
Dringend maar niet belangrijk,
-
Belangrijk maar niet dringend, en
-
Niet belangrijk en niet dringend (alleen als er tijd over is).
Aan het einde van het uur reflecteren de werkers op hun voortgang. Wat is er niet afgekomen? Waardoor kwam dat? En waar of wanneer gaan ze dit alsnog doen? Daarna kijken ze vooruit naar hun huiswerktijd. Hiervoor plannen ze eerst realistische werkmomenten in, waarna zij de overgebleven taken verdelen over deze momenten. Dit helpt de leerling zelfstandig aan het werk te gaan (Stevens, z.d.).
Tot slot bevat de handleiding praktische tips voor het beginnen met werken (zoals het creëren van een rustige leeromgeving), het omgaan met afleiding en het afronden en opruimen van de werkplek.
Het product wordt momenteel ingezet voor werkers die moeite hebben met plannen, met name degenen die deelnemen aan de planclub. Omdat er binnen de school veel verschillende manieren van plannen bestaan, biedt deze handleiding een concreet en gestructureerd alternatief voor werkers die behoefte hebben aan extra ondersteuning. Daarnaast worden de WP-uren aan het begin van leerjaar 1 intensiever begeleid, en wordt het product beschikbaar gesteld wanneer werkers hier behoefte aan hebben.
Samenwerking met Collega's
Tijdens mijn stages heb ik geprobeerd om zo breed mogelijk betrokken te zijn bij schoolactiviteiten, omdat ik het belangrijk vind om als docent ook bij te dragen aan taken buiten het klaslokaal. Een belangrijk onderdeel daarvan was mijn deelname aan verschillende vergaderingen, waaronder teamvergaderingen, vakgroep bijeenkomsten en voortgangsvergaderingen (Van Der Wal & De Wilde, 2017). Tijdens deze momenten dacht ik actief mee over de visie van het team, het opstellen van (leer)doelen en de organisatie van activiteiten.
Een specifiek moment waarin ik een grotere rol heb kunnen vervullen, was tijdens de voortgangsvergaderingen. Tijdens deze vergaderingen werd de studievoortgang en het welzijn van iedere individuele werker besproken. Ik vertegenwoordigde hierbij mijn eigen klassen voor het vak Engels, waarbij ik input gaf over hun resultaten, werkhouding en betrokkenheid. Daarnaast dacht ik mee over bredere zorgvragen: wat heeft een leerling nodig, welke begeleiding is passend, en hoe kan de school daarin ondersteunen? Dit gaf mij niet alleen inzicht in de samenhangende begeleiding binnen de school, zoals de leerlingenzorg, maar ook in de waarde van samenwerking met mentoren, zorgcoördinatoren en collega’s uit andere vakken (Van Der Wal & De Wilde, 2017).
Wat ik ook ben gaan doen, is het bespreken van werkers met collega’s wanneer ik ergens tegenaan liep. In het begin zou ik dat vooral met mijn stagebegeleider bespreken, maar doordat ik me op mijn plek voelde in het team, vond ik het makkelijker om ook andere collega’s aan te spreken. Dat leverde vaak goede gesprekken op, waarin ik niet alleen advies vroeg, maar ook kon meedenken over casussen van anderen. We keken regelmatig naar het einddoel, hoe we het nu deden en hoe we verder moesten. Ook wel bekent als feed-up, feedback en feed-forward (Geerts & Van Kralingen, 2011). Dat voelde waardevol, en ik merkte dat collega’s mijn inbreng ook serieus namen. Samenwerken en het gezamenlijk reflecteren op onderwijspraktijken draagt bij aan professionele ontwikkeling en kwaliteitsverbetering binnen de school (Van Der Donk & Van Lanen, 2014).
Daarnaast ben ik door de schoolopleider gevraagd om mee te gaan naar het Baarnsch Lyceum voor het Academisch Opleidingsschool (AOS) studiemiddag om de stagiaires van de school te representeren (zie bewijsmateriaal: "B: AOS Studiemiddag"). Voor de studiemiddag was een tevredenheidsonderzoek uitgezet naar verschillende scholen over hoe de stagiaires en stagebegeleiders het ervaren om stage te lopen of een stagiair te begeleiden. Op het Baarnsch Lyceum hebben we een plenaire keynote gekregen van Bob Koster, lector Werkplekleren Fontys Hogeschool, en hebben we samen met het Jordan en KSG de Breul gezeten om het te hebben over het zijn van een opleidingsschool. Hierbij heb ik mee kunnen denken over de verwachtingen die de scholen mogen hebben van zijn of haar stagiaires en mijn persoonlijke meningen naar hoe er moet worden gekeken naar de invulling van stages. Doordat ik al vijf jaar stage loop heb ik best wat meningen opgebouwd over dergelijke onderwerpen. Zo heb ik aangegeven dat scholen best mogen verwachten dat studenten naar een opleidingshuis gaan en daar met elkaar in gesprek gaan over verschillende onderwerpen die de school van belang vindt. Naar mijn mening is dit erg leerzaam, of je het zelf interessant vindt of niet, je haalt hier iets uit voor je persoonlijke visie. Ik vind dat stagiaires een kritische houding mogen hebben, maar het meegaan in de tradities van de school is juist een ervaring rijker. Daarnaast vind ik dat de scholen mogen verwachten dat stagiaires meer oppakken dan alleen lesgeven. Zoals ik al eerder heb aangegeven vind ik het persoonlijk belangrijk zoveel mogelijk mee te draaien als mogelijk, omdat dit in de praktijk als docent ook de realiteit is. Als stagiair is dit alleen maar voorbereiding op het vak en hiermee kan je ook peilen wat er het beste bij jou past. Zo weet ik inmiddels van mijzelf dat de sportieve uitjes minder voor mij zijn gemaakt dat de creatieve (zie bewijsmateriaal: "G: Uitjes").
Omgaan met Feedback
Een belangrijk onderdeel van het volgen van een opleiding is het ontvangen van feedback en leren omgaan met wat je daarin terugkrijgt. Gedurende mijn opleiding heb ik veel verschillende vormen van feedback gekregen, die over het algemeen goed zijn binnengekomen. Dit wordt ook regelmatig benoemd in mijn praktijkbeoordelingen (zie bewijsmateriaal: C: Praktijkbeoordelingen). Ik probeer deze feedback actief toe te passen in mijn volgende stagejaren en verwerk het in mijn leerwerkplannen (zie bewijsmateriaal: D: Leerwerkplannen).
Een punt van feedback dat elk jaar terugkomt – en waar ik eerlijk over ben – is dat ik strenger mag zijn en sneller moet optreden bij ongepast gedrag. Deze situaties zijn meestal niet gepland en vragen om directe actie. In de loop der jaren heb ik verschillende manieren geprobeerd en ben ik steeds beter gaan begrijpen wat voor mij werkt. Ik weet van mezelf dat een 'strenge' docent niet in mijn aard ligt. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een aanpak die past bij mijn persoonlijkheid, maar toch effectief is.
Feedback die ik heb ontvangen van een collega uit mijn team
Wat ik belangrijk vind, is dat leerlingen begrijpen waarom bepaald gedrag niet passend is, en dat ze ervan kunnen leren. In mijn lessen probeer ik daarom gedrag altijd eerst bespreekbaar te maken, en aan te geven wat ik wel van hen verwacht. Natuurlijk ligt er ergens een grens. Wanneer waarschuwingen genegeerd worden, moet ik optreden. Om hierin consistent te blijven, heb ik een escalatieladder opgesteld die ik hanteer:
Escalatieladder:
Stap 1: Eerste waarschuwing, verbaal ongewenst gedrag en gewenst gedrag aangeven,
Stap 2: Wijzen op net gezegde waarschuwing.
Stap 3: Laatste waarschuwing, ergens anders binnen de klas laten zitten.
Stap 4: Laatste waarschuwing komt niet binnen. Deze binnen laten komen door- tijd af te nemen, ouders, mentor of teambegeleider erbij te halen. Straf verergeren.
Het werken met een duidelijke escalatieladder sluit aan bij pedagogische tact, waarbij de leraar op een respectvolle en doelgerichte manier grenzen aangeeft en gedrag begeleidt (Coppens et al., 2016). In mijn ervaring luisteren leerlingen beter wanneer de relatie sterk is (Slooter, 2018). Als je realistisch en rustig blijft, willen ze vaak wel met je meewerken. Dit schooljaar ben ik slechts één keer bij stap 4 terechtgekomen. In dat geval weigerde een leerling naar een rustige plek te gaan zitten. Hoewel dat vaak als straf wordt ervaren, zie ik het juist als een hulpmiddel: ik wil dat leerlingen in de klas blijven en zoveel mogelijk leren. Dat leg ik ook altijd uit. Toen de leerling bleef weigeren, heb ik besloten een time-out in te zetten (zie bewijsmateriaal: F: Time-Out Kaart).
Voor mij is de nabespreking van zulke momenten erg belangrijk. Niet alleen om de situatie goed af te ronden, maar ook om de relatie met de leerling te behouden en wederzijds begrip te creëren. Tot nu toe zijn deze gesprekken altijd goed verlopen.
Hoewel ik steeds beter mijn aanpak vind in het omgaan met ongepast gedrag, blijft het soms lastig om precies te bepalen waar mijn grens ligt. Daar blijf ik op reflecteren en bewust mee oefenen (zie bewijsstukken: "E: Reflecties Ongepast Gedrag").
Bewijsmateriaal
A: Beroepsproduct 2
B: AOS-studiemiddag
C: Praktijkbeoordelingen
D: Leerwerkplannen
E: Reflecties Ongepast Gedrag
F: Time-Out Kaart
G: Uitjes
Maak jouw eigen website met JouwWeb